Voorwoord

De komende 8 weken wordt er iedere week een bijdrage gepubliceerd van Kees van der Waal, oud RSB bestuurder en oud KNSB bestuurder, over de geboorte- en kleuterjaren van onze RSB. Uitermate interessante en boeiende artikelen. Wij hopen dat dit stimulerend zal werken en ook u zal uitdagen om op deze wijze een bijdrage te leveren aan verhalen uit onze rijke historie. Hierbij deel 1 en wij wensen u veel leesplezier.

Teun Koorevaar
Aflevering | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | slot |
Geboorte en kleuterjaren van de R.S.B. aflevering 1

Inleiding
Onder de titel "Geboorte en kleuterjaren van de R.S.B." wil ik ingaan op een stukje geschiedenis van het schaken in de regio van de R.S.B., meer in het bijzonder op de oprichting en beginjaren van de R.S.B.. In feite herschrijf ik voor een deel, dat wil zeggen waar dat bij nader inzien nodig is, een eerder van mijn hand gepubliceerde artikelenreeks in de "Spiegel" uit de jaren 1987 en 1988. Destijds was de voornaamste bron van informatie het boek met "Jaarverslagen van de R.S.B.", in schoonschrift en eigentijds taalgebruik, bijgehouden door de toenmalige secretaris van de R.S.B. de heer A. de Bruijn.

Aanleiding
Begin dertiger jaren van de vorige eeuw vond er een geboortegolf plaats, niet van mensenkinderen maar van regionale schaakbonden. De schaakeenheid in Nederland stond onder de hoede van de Nederlandse Schaak Bond, de N.S.B., en over de werkwijze van die N.S.B. bestond landelijk een zeer grote onvrede. De N.S.B. zou autoritair zijn, voor geen enkele reden vatbaar en in het geheel geen oog hebben voor de belangen van de lokale schaakverenigingen. De grote clubs in Nederland maakten de dienst uit en de rest had niets in te brengen dan lege briefjes. Een dergelijke situatie vroeg om een reactie en die kwam dan ook met de oprichting van regionale schaakbonden. Voor de oprichting van de R.S.B. gold bovendien nog een tweede belangrijk motief. De verenigingen in Rotterdam werden regelmatig geconfronteerd met wat men kan noemen zwevende leden. Dit waren mensen die er een gewoonte van maakten lid te worden van een club maar van het betalen van contributie nog nooit hadden gehoord. Als de betreffende penningmeester na enige tijd toch wat opdringerig de aandacht op zich vestigde veranderde men eenvoudig van club alwaar het gedoe zich natuurlijk na enige tijd herhaalde. De verenigingen wilden hier paal en perk aan stellen en door de oprichting van een bond kon men tot afspraken geraken om de zwevende leden een halt toe te roepen. Tot op de dag van vandaag geldt de afspraak, dat men geen leden inschrijft met een contributieschuld bij een andere vereniging.

De oprichting
De oprichting van de R.S.B. had nog al wat voeten in de aarde en wie kan dat beter vertellen dan de heer A. de Bruijn. Hij was er bij en zijn verslaggeving is duidelijk, hij verhaalt als volgt: "Kort overzicht van het ontstaan van den Rotterdamschen Schaakbond. In het najaar van 1930 werd door het Bestuur van de Schaakvereeniging 'Spangen' een vergadering bijeengeroepen van afgevaardigden van de verschillende schaakvereenigingen hier ter stede, om te komen tot de oprichting van een Rotterdamschen Schaakbond. Als voorzitter fungeerde de heer H. Boon, secretaris van 'Spangen'. Alle aanwezigen, waaronder Mr. Oskam, voorzitter van de N.S.B. en de heer Hartogensis, secretaris van het Hoofdbestuur (zo werd het bestuur van de N.S.B. in die tijd genoemd - Kees) , toonden zich zeer ingenomen met het plan. Toch bleek het nog niet mogelijk, reeds definitief tot een oplossing over te gaan, waarom een commissie werd benoemd, die tot taak had, een concept van de Statuten en Reglementen te ontwerpen. Leden dezer commissie waren de heren Stakenburg, C.B. de Bruin, Van Os, Meeusze en A. de Bruijn. Met de Statuten kwam de commissie, dank zij de hulp van Mr. Oskam spoedig gereed; het Reglement daarentegen liet steeds op zich wachten en de zaak dreigde ten slotte op de lange baan geschoven te worden. Toen nu in het najaar van 1931 de gang van zaken in den N.S.B. het dringend gewenscht maakte, dat Rotterdam als eenheid in de Algemeene Vergadering van dien Bond kon optreden, besloot het laatstgenoemde lid der commissie, in overleg met Mr. Oskam, de zaak in handen te nemen, na eerst een mislukte poging gedaan te hebben, de commissie in haar geheel ervoor te spannen. Een vergadering van afgevaardigden derzelfde vereenigingen, die de commissie hadden benoemd, werd bijeengeroepen op 17 november 1931. Bijna alle Rotterdamsche vereenigingen gaven gehoor aan dien oproep, maar van de commissie bleek alleen het initiatief-nemende lid aanwezig, dat de vergadering had te presideren. De besprekingen hadden door de aangename medewerking van de vertegenwoordigers der clubs, een vlot verloop. De Statuten werden artikelsgewijs behandeld en met enkele wijzigingen goedgekeurd. Voor het Reglement werd dat van den Amsterdamschen Schaakbond als basis genomen en ook de vaststelling hiervan leverde niet al te veel moeilijkheden op. Staande de vergadering traden zes vereenigingen definitief toe, terwijl de anderen in principe bereid bleken, maar eerst machtiging van hun vereeniging moesten vragen. Hiermede was dus de Rotterdamsche Schaakbond opgericht." Merkwaardig is toch wel het optreden van Mr.G.C.A. Oskam, voorzitter van de N.S.B.. Zijn eigen bond genereerde nogal wat onvrede en de oprichting van de R.S.B. werd mede door die onvrede gevoed. Hij steunt het initiatief tot oprichting van de R.S.B. van harte en hij levert bijstand in de juridische zaak van het opstellen van de statuten. Later zullen wij zien dat de heer Oskam wel meer vreemde exercities uitvoerde waarbij hij ogenschijnlijk makkelijk van rol wisselde. Naar zijn motieven kunnen wij nu achteraf slechts gissen, een oordeel daarover blijft dan ook achterwege.

De R.S.B. krijgt gestalte
De oprichting van de R.S.B. had dus nog al wat voeten in de aarde en het wegblijven van de commissieleden op de vergadering van 17 november 1931 doet vermoeden dat de harmonie zoek was geraakt. Maar goed, met zes aangesloten verenigingen was er in ieder geval een bescheiden begin. Hoe ging het verder? Wij volgen het relaas van de heer De Bruijn verder op de voet. "Tijdens de besprekingen was de wenschelijkheid en zelfs noodzakelijkheid gebleken, om met het og op de competities, ook de vereenigingen buiten Rotterdam, behoorend tot het onderdistrict Zuid-Holland-Zuid (van de N.S.B. - Kees) , in den R.S.B. op te nemen, waarom het rayon van dezen bond uitgebreid werd tot dat van genoemd district, hoewel de oorspronkelijke opzet het stichten van een zuiver plaatselijke bond was geweest. Bij de bestuursverkiezing die volgde, werden benoemd, voorlopig met een mandaat tot de 1e Algemeene Vergadering in Februari 1932, de Heren A. Reijss (Rotterdamsche Schaakgenootschap), A. de Bruijn (Spangen), J.P. de Jong (Het Westen), A. van Balen (Kralingen) en M.J. Veenstra (N.R.S.V.) respectievelijk als voorzitter, 1e secretaris, penningmeester, 2e secretaris en wedstrijdleider. Met een slotwoord van den pas gekozen voorzitter, den Heer Reijss, was de vergadering ten einde".

Kees van der Waal
top
Geboorte en kleuterjaren van de R.S.B. aflevering 2

Geen doodgeboren wicht
In een vergadering op 17 november 1931 besloot een aantal afgevaardigden van Rotterdamse schaakverenigingen tot oprichting van de Rotterdamse Schaakbond. Zes verenigingen sloten zich direct aan, de andere gedelegeerden keerden huiswaarts om ruggespraak met de achterban te houden over de wenselijkheid van toetreding tot de R.S.B..
Na drie maanden schrijft de heer A. de Bruijn, 1e secretaris, een verslag van de activiteiten en ontwikkelingen van de nog jonge R.S.B. Zijn schoonschrift vertoont reeds de eerste slijtage en het gebruik van afkortingen neemt hand over hand toe. Wij beginnen met zijn conclusies:
"Terugziende op de afgeloopen 3 mnd. meent onderget. te mogen constateeren , dat de R.S.B., ondanks de strubbelingen voor zijn ontstaan, reeds thans getoond heeft, geen doodgebooren wicht te zijn, integendeel de meest springlevende onder zijn ongeveer gelijktijdig in de schaakwereld verschenen broederbonden en dat zijn aanwezigheid reeds terdege merkbaar is". Het relaas eindigt met de wens: "Dat hij groeie en bloeie, door de eendrachtige samenwerking zijner leden!"

De strijd om erkenning
De N.S.B., toen in naam en daad nog niet Koninklijk, reageerde gereserveerd op de oprichting van een schaakbond in het Rotterdamse. Bij het vooroverleg in het najaar van 1930 waren voorzitter en 1e secretaris van de N.S.B. aanwezig en volgens het verslag waren zij content met het Rotterdamse initiatief. De heren hadden blijkbaar op persoonlijke titel gesproken want in de officiële reactie van de N.S.B. was niets terug te vinden van hun vriendelijke kijk op de gebeurtenissen. Wij lezen verder in het verslag van de heer De Bruijn: "In een schrijven van Voorz. en 1-en Secr. aan het H.B. (Hoofd Bestuur - Kees) van den N.S.B. geven eerstgenoemden kennis van de oprichting van den R.S.B. en vroegen tevens erkenning aan door den N.S.B.. Daarop is ontvangen een weinig zeggend briefje van den 1-en secretaris van het H.B., niet de gevraagde erkenning bevattend, wel echter een waarschuwing, dat de R.S.B. de competities zal moeten bekostigen, nu hij ook de inning der contributies ter hand neemt".

De autoritaire N.S.B. op de helling
"Het ontoereikende van dit schrijven is wellicht toe te schrijven aan den toestand van liquidatie, waarin de thans nog vigerende statuten en reglementen van de N.S.B. verkeeren.", aldus het verslag.
De heer De Bruijn spreekt van een toestand van liquidatie waarin de statuten en reglementen van de N.S.B. verkeert. Met andere woorden: hij is van mening dat de structuur van de N.S.B. op de helling moet voor een grote revisie. In het verslag van de oprichtingsvergadering van de R.S.B. lezen wij:
"Toen nu in het najaar van 1931 de gang van zaken in den N.S.B. het dringend gewenscht maakte, dat Rotterdam als eenheid in de Alg. Verg. van dien Bond kon optreeden....."
Duidelijk is, dat de landelijke schaakbond in die tijd met moeilijkheden kampte en daarop beleidsmatig onvoldoende had geanticipeerd. De centralistisch ingestelde N.S.B. werkte met districten en deze dienden geheel volgens de richtlijnen van het hoofdbestuur te handelen.
Door het ontstaan van autonome, dus van de N.S.B. onafhankelijke, regionale schaakbonden boette de N.S.B. aan zeggenschap in. En die regionale bonden schoten als paddestoelen uit de grond.
Het hoofdbestuur koos eieren voor zijn geld. De Algemene Vergadering, het hoogste orgaan van de bond werd vervangen door en Bondsraad, waarin vertegenwoordigers van de regionale schaakbonden zitting kregen.

Groeiend ledental
Bij de oprichtingsvergadering op 17 november 1931 traden zes verenigingen spontaan toe.Dit aantal nam snel toe, mede dankzij de nooit aflatende heer De Bruijn. In het verslag over het eerste kwartaal schrijft hij: "Op den dag dezer 1e Alg. Verg. , 23 Febr. 1932, zijn bij den R.S.B. aangesloten alle tot het onderdistrict Z.-Holland -Zuid behoorende schaakvereenigingen. Bovendien meldde zich aan de Schaakclub 'Messemaker' te Gouda, terwijl door de ijverige bemoeiingen van den 2-en Secr.., den Heer Van Balen, hier ter stede een nieuwe ver. "Rotterdam Noord" werd opgericht , met aanvankelijk 18 leden, die aanstonds toetrad tot den R.S.B.. Tenslotte konden wij nog inschrijven de ver. "G.E.B.", zodat de ledenlijst van de R.S.B. thans luidt:

                                                Leden
 1. Nieuwe Rotterdamsche Schaakvereniging       126 
 2. Rotterdamsch Schaakgenootschap               32
 3. Schaakclub Rotterdam                         30    
 4. Spangen                                      66
 5. Vereenigde R'damsche Schaakclub              20
 6. Kralingen                                    28
 7. Ermezo                                       16
 8. Ned. Handel Mij                              14
 9. Het Westen                                   35
10. De Pion                                      49
11. Charlois                                     18
12. Wilhelm Steinitz                             --
13. De Schaakstudiekring                         12
14. Insulinde                                    12
15. Rotterdam Noord                              18
16. G.E.B.                                       28
17. Dordrechtsche Schaakclub                     25
18. Messemaker Gouda                             33
19. Eerste Schiedamsche Schaakver. (E,S.S.)      35
20. Hillegersberg                                24
21. Vlaardingsche Dam- en Schaakver.              8
"Totaal 20 verenigingen met 595 leden."

Trots meldt de heer De Bruijn dat er 595 leden zijn, maar wie het lijstje optelt komt op een totaal aantal van 629 leden. Of het een telfout van de secretaris is of een verschrijving in de specificatie is nu moeilijk na te gaan.

Jeugd
Nummer 12 op de lijst "Wilhelm Steinitz" was een clubje scholieren van de "Bergsingel H.B.S.", waarvan de later bekend geworden schaker W.J. Muhring deel uitmaakte.
Zij staan zonder ledental te boek. De heer De Bruijn laat dit niet onbesproken:
"De vereniging "Wilhelm Steinitz" verkeert in een toestand van inwendige reorganisatie, waardoor haar plaats in en haar betrekking tot den R.S.B. op dit ogenblijk nog onzeker zijn.
Ten aanzien van "Wilhelm Steinitz" zij opgemerkt, dat het wellicht aanbeveling verdient, te zijner tijd over te gaan tot het vormen van een Juniorafdeling van den R.S.B.".
Kees van der Waal
top
Geboorte en kleuterjaren van de R.S.B. aflevering 3

Zelfgenoegzaam
De eerste Algemene Vergadering van de R.S.B. vond plaats op 23 februari 1932. Op de vergadering van 17 november 1931, waar besloten werd tot oprichting van de R.S.B en bij de bestuursverkiezing die volgde, werden benoemd, voorlopig met een mandaat tot de 1e Algemeene Vergadering in Februari 1932, de Heren A. Reijss (Rotterdamsche Schaakgenootschap), A. de Bruijn (Spangen), J.P. de Jong (Het Westen), A. van Balen (Kralingen) en M.J. Veenstra (N.R.S.V.) respectievelijk als voorzitter, 1e secretaris, penningmeester, 2e secretaris en wedstrijdleider. De heren konden aan de slag, er was werk aan de winkel. In de verslaggeving over de afgelopen drie maanden kijkt 1e secretaris De Bruijn terug op die periode en hij schroomt niet zichzelf en zijn mede bestuursleden in alle bescheidenheid te complimenteren voor hun. ijver en inzet. Hij schrijft aan de leden:
"Het in het voorafgaande Kort Overzicht van het ontstaan van de R.S.B. met name genoemd voorlopig Bestuur hield 4 vergaderingen plus ettelijke toevallige of partiële samenkomsten. Wat men dit Bestuur ook zou kunnen verwijten, stellig niet hun voortvarendheid en initiatief. Allen toonden zich bezield met de nodige geestdrift en ijver en verheugend was steeds de samenwerking en homogeniteit. Ontegenzeglijk is er meer leven in de Rotterdamsche Schaakwereld gekomen door de werkzaamheden van den R.S.B.."

Zo'n goede vijftig jaar later liet de K.N.S.B. in een verslag aan de Bondsraad zich in soortgelijke lovende woorden uit over de werkzaamheden van het bestuur. De heer Versluijs, toenmalig voorzitter van de S.V. Waddinxveen en namens de R.S.B. lid van de Bondsraad, reageerde daarop. Op het spreekgestoelte aanbeland zijnde zei hij: "Ik zie dat u nogal tevreden bent. Maar", hier pauzeerde de spreker een ogenblik, "wie maakt dat eigenlijk uit?"
Ach, wie zal na al die jaren nog zo'n kritische vraag stellen aan het eerste bestuurscollege. Zij hebben inderdaad pionierswerk verricht en achteraf beoordelend, denk ik, verdient zeker de heer A. de Bruijn een monument of een toernooi dat zijn naam voor nu en nog eens in ere houdt. Jarenlang was hij de stuwende kracht van de R.S.B., een ere-lidmaatschap waardig. Maar helaas, een dergelijke onderscheiding werd nimmer zijn deel.

Geen woorden maar daden
Feijenoord voetbalde in die dagen nog aan de Kromme zandweg, en de supportersschare, toen nog bestaande uit echte voetballiefhebbers hadden het huidige lijflied van Feijenoord nog nooit gehoord.
Dat kwam pas later, toen Feijenoord Feyenoord ging heten. Wij mogen dus aannemen dat ook het R.S.B. bestuur uit die tijd onbekend was met het fraaie lied, maar zeker moet worden vastgesteld dat zij zich de slagzin "geen woorden maar daden" wel eigen hadden gemaakt. De heer De Bruijn schrijft in het eerste verslag onder het hoofdje "wedstrijden" het volgende: "Door de activiteit en doortastendheid van den Voorzitter, den Heer Reijss, gelukte het den R.S.B. te bereiken, dat de Meesterwedstrijd en het Invitatietoernooi voor sterke Ned. Spelers in het Maashotel gedurende de Kerstweek 1931 onder zijn auspiciën en leiding kwamen te staan.
We mogen niet verzuimen hierbij te vermelden, dat onze grootste en sterkste lid, de N.R.S.V., aan wie oorspronkelijk de leiding zou worden toevertrouwd, deze bereidwillig aan de R.S.B. afstond, welk goede voorbeeld van loyaliteit jegens den R.S.B., hier even gememoreerd moge worden.
Aan beide genoemde wedstrijden verbond het Bestuur een 2-daagschen Groepenwedstrijd, waaraan 43 R'damsche en Goudsche schakers deelnamen.
Voor het verloop dezer 3 wedstrijden moge verwezen worden naar het verslag door den 1-en Secr. Geplaatst in de Januari-aflevering van het 'Tijdschrift' van den N.S.B."

Tot zover het verslag, dat nog vervolgt met andere activiteiten, zoals het Persoonlijk kampioenschap en door het Rotterdams Nieuwsblad gesponsorde consultatiepartijen. Verder staan dan nog op het programma een massakamp tegen Den Haag, kampioenwedstrijden, allen voor clubkampioenen, om de Leeuwin van Spangen en een revanche massakamp van de Rest van Rotterdam tegen de N.R.S.V..
Al met al een wervelende start van de R.S.B., gedragen door inzet en ijver van het tijdelijk gekozen bestuur.

Kees van der Waal
top
Geboorte en kleuterjaren van de R.S.B. aflevering 4

Persoonlijk kampioenschap
Een jaarlijks terugkerend evenement is het toernooi om het "Persoonlijk kampioenschap van de R.S.B." Ook nu nog brandt jaarlijks de strijd om deze titel los en de geschiedenis leert dat dit evenement bijna even oud is als de R.S.B. zelf. Alleen de laatste jaren van de tweede wereldoorlog kon het toernooi geen doorgang vinden hetgeen gezien de situatie in het westen van ons land begrijpelijk is.
Het P.K., zoals dat nu vaak wordt afgekort werd voor het eerst gehouden in het jaar 1932 en opnieuw voorziet het officiële jaarverslag van de 1e secretaris, de heer A. de Bruijn ons van de nodige informatie. De eerste jaarverslagen van de R.S.B. omvatten steeds een periode gelijk aan een kalenderjaar en niet zoals dat nu het geval is een schaakseizoen lopend van september tot en met augustus van het volgend jaar.
In het jaarverslag over het jaar 1932 lezen wij:
"De Wedstrijden"
In 1932 werd voor het eerst verspeeld het Persoonlijk Kampioenschap van de R.S.B., in 4 klassen, waaraan werd deelgenomen door ongeveer 150 schakers.
Winnaars werden in de hoofdklasse: W.J. Muhring, in de 1e klasse W. Dunker, in de 2e klasse A.J. van Koll, in de 3e klasse P.G. van Ameyden.
Naar de hoofdklasse promoveerden: W. Dunker, Th.P.v.d. Tol, H.B. Ensing, H.A.v.d. Maas, H.G. Blok, C. Bòttcher, P. van Assendelft.
Naar de 1e klasse degradeerden: Oprel, v.d. Voort, C. van Wingerden, Samelius en Bekker."

Een tweetal kanttekening mijnerzijds.
Opvallend is de vrij grote deelname gezien in verhouding tot de omvang van het totale ledenbestand. De R.S.B. telde op 1 januari 1932 reeds 581 leden en per de ultimo van dat jaar stonden 729 schakers ingeschreven. Het jaargemiddelde laat zich berekenen op 655 leden en daarvan vonden er 150 de weg naar de toernooizaal, hetgeen neerkomt op circa 23% van het gemiddeld ledental. Een dergelijke belangstelling is helaas thans ondenkbaar.
Eerste kampioen J.W. Muhring kwam uit de kringen van de schaakvereniging "Wilhelm Steinitz", een club bestaande uit scholieren van de Bergsingel H.B.S.. Deze vereniging kwam in de tweede aflevering van deze serie reeds ter sprake. De heer Muhring behaalde de titel niet per ongeluk, later zou hij als schaker duidelijk van zich doen spreken. Landelijke bekendheid verwierf hij met een televisiecursus schaken verzorgd door Teleac. Samen met Prof. Dr. Max Euwe volgde hij de tweekamp om het wereldkampioenschap in het jaar 1972 tussen titelverdediger B. Spasski en uitdager R. Fischer. Ook niet schakers keken met genoegen naar deze schaaklessen, waarin Muhring als een soort aangever fungeerde voor de wat brommerig en verstrooid overkomende Euwe. Het was bepaald een komisch duo op schaakgebied. Bij één van de partijen zei Muhring na een aantal zetten: "dat is geloof ik de gesloten variant van de Spaanse opening.", waarop Euwe, uit zijn concentratie gebracht op berispende toon antwoordde: "ja, maar dat doet niet ter zake".
De tweekamp tussen Spasski en Fischer had een geweldige impact op het schaken in Nederland en natuurlijk ook op dat in de R.S.B. Het ledental vloog met sprongen omhoog en dat was zeker mee te danken de act van Muhring en Euwe.

Verdere groei R.S.B.
Uit de in aflevering 2 opgenomen specificatie weten we dat bij de eerste Algemene vergadering, gehouden op 23 februari 1932 een twintigtal verenigingen zich hadden aangesloten bij de R.S.B..
In het jaar 1932 besloten nog een aantal verenigingen zich bij de R.S.B. aan te sluiten, het waren de schaakverenigingen Krimpen aan den IJssel met 22 leden, D.E.S.C.O., bij de toetreding herdoopt in Onesimus met 16 leden, Excelsior met 26 leden, Trianon met 17 leden en Maassluis met 13 leden.
In aflevering 2 lazen wij reeds de mededeling van de 1e secretaris : "De vereeniging "Wilhelm Steinitz" verkeert in een toestand van inwendige reorganisatie, waardoor haar plaats in en haar betrekking tot den R.S.B. op dit ogenblijk nog onzeker zijn.
Ten aanzien van "Wilhelm Steinitz" zij opgemerkt, dat het wellicht aanbeveling verdient, te zijner tijd over te gaan tot het vormen van een Juniorafdeeling van den R.S.B.".
In het jaar 1932 stelde het bestuur van Wilhelm Steinitz orde op de inwendige zaken en werd definitieve aansluiting bij de R.S.B. een feit. Deze vereniging bestond uit 12 leden.
Van een "Juniorafdeeling" wordt in het verslag geen melding gemaakt.
Tegenover genoemde aanwas stond een afschrijving van een tweetal verenigingen, Rotterdam Noord had geen levensvatbaarheid en de Schaakstudiekring sloot zich aan bij een ander R.S.B. lid te weten de S.V. Kralingen.

Malaise
Op donderdag 24 oktober 1929 vond een beurskrach plaats te New York, waarbij de effectenbeurs ineenstortte. De belangrijke positie van de VS op de internationale markt maakte dat de nationale economische crisis, die hierop volgde, zich als een olievlek over heel de wereld uitbreidde - het begin van de "Grote Crisis" van de jaren dertig.
De "Grote Crisis" had enorme invloed op de Nederlandse economie en ook de R.S.B. ondervond daarvan de gevolgen. Het verslag van de 1e secretaris over het jaar 1932 maakt daar als volgt melding van:
"Tegenover dezen tot tevredenheid stemmenden aanwas (zie vorige paragraaf) staan eenige schaduwzijden.
Enkele der oudere R'damsche verg. zagen hun ledental aanmerkelijk terugloopen; andere, speciaal aan den Zuidelijken Maasoever hebben te kampen met werkloosheid onder hun leden. Dat het den bestuuren dezer clubs gelukken moge, hunne vereenigingen behouden door deze moeilijke periode heen te loodsen, is de oprechte wensch van ondergeteekende". Secretaris De Bruijn kon toen niet voorzien welk een dramatische omvang de malaise zou krijgen en evenmin was voorspelbaar de lange duur van de "Grote Crisis". Eerst na de tweede wereldoorlog trad herstel van de economie in.

Kees van der Waal
top
Geboorte en kleuterjaren van de R.S.B. aflevering 5

Massakamp
De voorgaande vier afleveringen hebben ons duidelijk gemaakt dat het bestuur van de nog prille R.S.B. bepaald niet stil zat. Naast een streven zo snel mogelijk tot ledenwinst te komen waartoe bestaande schaakverenigingen werden benaderd was er ook aandacht voor het praktische schaak.
In de vierde aflevering kwam het Persoonlijk kampioenschap van de R.S.B. aan de orde en deze keer wordt een spotlight gericht op een ander schaakevenement uit de begintijd van de R.S.B.
De nog jonge R.S.B. besloot reeds in het eerste verenigingsjaar een nieuwe activiteit op te starten. Wat lag nu meer voor de hand dan een andere regionale bond uit te dagen om de krachten te meten in een zogenaamde massakamp. Gedurende een reeks van jaren is in dit verband een ontmoeting georganiseerd met de bij de Haagse Schaakbond aangesloten schakers. Voor deze wedstrijd bestond steeds een grote belangstelling en de Hagenaars werden met wisselend succes bestreden. De eerste keer ging het organisatorisch al bijna mis.
De R.S.B. had een vaste overeenkomst met het destijds deftige "Maashotel" te Rotterdam. Alle schaakevenementen, vergaderingen, ontvangsten van verenigingsbesturen vonden in dit etablissement plaats. Per bijeenkomst werd een geringe huur vergoed maar diende de R.S.B. zich garant te stellen voor een bepaalde omzet aan consumpties.
Om de één of andere reden nam de directie van het hotel het besluit de gemaakte afspraken niet langer te honoreren maar men verzuimde daarbij de tegenpartij, de R.S.B., tijdig in kennis te stellen van het feit dat de schakers niet langer welkom waren. Eerst aan de vooravond van de geplande wedstrijd tegen de H.S.B. bereikte het bericht van de contractbreuk het R.S.B.-bestuur.
In allerijl werd contact opgenomen met de directie van het "Gouden Hoofd" een ander bekend Rotterdams hotel, alwaar men bereid bleek onderdak te verlenen aan de Haagse en Rotterdamse rivalen. Een complicatie was evenwel, dat de speelruimte eerst een uur na het geplande aanvangstijdtip beschikbaar kon worden gesteld.
Er zat voor de verzamelde schakers niets anders op dan dat uur in berustende afwachting door te brengen, terwijl het bestuur zich bezig hield met het materiaaltransport van het Maashotel naar het Gouden Hoofd. Met ruim een uur vertraging kon de strijd alsnog een aanvang nemen met als resultaat een klinkende overwinning met 50-36 voor de Rotterdammers.

Reprise
Een dergelijke geschiedenis zou zich later nog een keer voordoen, maar toen was de R.S.B. de kinderschoenen reeds lang ontgroeid. In het jaar 1979 was er op een zaterdag in februari de zoveelste ronde van het Persoonlijk kampioenschap. De speelzaal in Rotterdam Zuid, al sinds jaar en dag de vaste thuisbasis voor dit evenement, bleek plotseling niet beschikbaar. Bij aankomst ter plaatse constateerde wedstrijdleider Henk Greevenbosch, dat de ruimte gevuld was met timmerende lieden. Het waren leden van de carnavalsverenging, zij versierden de zaal voor het feest van die avond. De adepten van de "Raad van Elf" waren niet van plan hun arbeid te staken daar hun aanwezigheid de hoge toestemming zou hebben van de uitbater van het gebouw.
Inderdaad, er was sprake van een administratieve vergissing, de feest- annex speelzaal was simultaan verhuurd. In de nabijheid bleek nog een zaaltje te zijn gewoonlijk bestemd voor bruiloften en partijen. Deze bleek vrij en ook nu werd in allerijl het materiaal naar het nieuwe onderkomen overgebracht.
Alles kwam op zijn pootjes terecht, maar Henk Greevenbosch wordt, volgens geruchten, nog wel eens met een gil wakker als hij dit in een droom opnieuw meemaakt.

De leeuwin van Spangen
Een mooie titel voor een helaas in onbruik geraakt schaaktoernooi.
In het jaarverslag 1932 schrijft de heer A. de Bruijn, 1e secretaris van de R.S.B., het volgende:
"In September volgde het Clubkampioenentoernooi door den R.S.B. overgenomen van de schaakvereeniging Spangen, de initiatiefneemster. Deze 'ereronde' voor de kampioenen der vereenigingen telde 11 deelnemers. De wisselprijs 'De leeuwin van Spangen', een geschenk van Mr. Oskam, werd veroverd door de Heer C.W. van Driel, den voorvechter van 'Het Westen', met 8 punten uit 10 partijen. Op hem volgden: G. Boersma (W.Steinitz) 7 ½, Mr. G.C.A. Oskam (N.R.S.V.) 7, M.J. v.d. Heuvel (Spangen) en J.F.W. Meijer (E.S.S.) 6 ½, J. Wiemer (Charlois) 4 ½, D. Roodzant (De Pion) 4, Althesius (N.H.M.) en H.A. v.d. Maas (G.E.B.) 3 ½, J. Bekker (Hillegersberg) en G.A. van Hattem (Excelsior) 2.
Het toernooi , waarvan in de Nieuwe Rotterdamsche Courant en andere bladen uitgebreide verslagen verschenen en dat dus een mooie reclame bleek voor de R.S.B. en zijn leden-vereenigingen werd besloten met een gezellige prijsuitdeelingsmiddag in het Parkhotel, waarbij de Heer Van Balen de verrichtingen der kampioenen aan een zachtaardige kritiek onderwierp en de wnd. Voorzitter de waarde en het bestaansrecht van dit toernooi naast de Pers. Kamp. Schappen in het licht stelde".

Kees van der Waal
top
Geboorte en kleuterjaren van de R.S.B. aflevering 6

Zwaar weer voor de N.S.B.
Het autoritair en regentesk optredende Hoofdbestuur van de N.S.B. onder leiding van Mr. G.C.A. Oskam, werd steeds meer geconfronteerd met een kamerbrede onvrede. Dit Hoofdbestuur onderkende blijkbaar de problemen onvoldoende met het gevolg dat het morrende schaakvolk het initiatief nam en regionaal de krachtenbundeling plaats vond in de vorm van meer lokaal werkende schaakbonden.
Uiteindelijk drong het rumoer van het opstandig schaakgepeupel door binnen de dikke muren van de vergaderkamer van het hoofdbestuur. Men kwam met een hervormingsplan Er zou een Bondsraad komen bestaande uit gedelegeerden van de regionale bonden; opheffing van de districten van de N.S.B.; erkenning van de autonomie van de regionale bonden; afschaffing van een direct lidmaatschap van verenigingen, lidmaatschap in het vervolg dus uitsluitend via de regionale bonden; toelating van individuele schakers als "persoonlijk lid"; toezending van "Het Tijdschrift", het toenmalig bondsorgaan, zowel aan de persoonlijke- als aan de indirecte leden.
Was daarmee nu de kou uit de lucht? Neen, het hervormingplan deed veel stof opwaaien. Met name het verplichte abonnement op "Het Tijdschrift" kreeg de handen niet op elkaar.
Mr. Oskam en de zijnen zetten door, de statuten en reglementen werden gewijzigd, maar de onvrede woekerde voort als een moeilijk te blussen veenbrand.
De tegenspraak en tegenwerking werd voorzitter Oskam blijkbaar te veel. Hij besloot tussentijds zijn functie beschikbaar te stellen, met andere woorden hij trad af en wel met directe ingang.

Onvrede bij de R.S.B. over het N.S.B.-bestuur
Midden in deze roerige schaaktijden schreef de 1e secretaris van de R.S.B. in het jaarverslag over het jaar 1933 het volgende: "Het jaar 1933 is voor onzen Bond een tamelijk bewogen jaar geweest. In hoofdzaak is dit toe te schrijven aan de meermalen gespannen betrekkingen met de N.S.B., welks bestuur zich niet ten volle bij de veranderde verhoudingen heeft aangepast. Genoemd bestuur ziet in de onderbonden nog te veel oude districten, in plaats van zelfstandige leden, met wier wenschen en rechten het rekening moet houden. De eerste wrijving ontstond door het uitsluiten van onze kampioenclub "Kralingen" -die niet op Zondag kon spelen- van de promotie-degradatiewedstrijden der 1e klasse N.S.B.. Een protest van de zijde van het R.S.B.-bestuur had aanvankelijk geen uitwerking, eerst een tweede poging onzerzijds leidde tot het gewenschte doel: Kralingen werd toegelaten.
Erger was het feit, dat noch Landau, noch Muhring geplaatst werden in den wedstrijd om het kampioenschap van Nederland. Aanvankelijk meende het R'damsche bestuur het bij een kort protest te moeten laten; bij nader inzien rijpte de overtuiging, dat tegenover een zoo vergaande negatie der R'damsche belangen een daad geplaatst diende te worden: het Tartakowertoernooi.
De uitwerking was verrassend, het N.S.B. bestuur deed alle mogelijker moeite om de fout te herstellen en Landau kreeg een plaats in het Meestertoernooi. Dat wij in onze opvatting niet alleen stonden bewijzen een tweetal artikelen in het orgaan van D.D. (een nog bestaande Haagse vereniging-Kees)"
Ik onderbreek hier de ijverige secretaris voor een ogenblik. Het genoemde Tartakower toernooi werd opgezet als een "troosttoernooi" voor schakers die op de één of andere manier de boot hadden gemist voor het Nederlands kampioenschap. Landau betuigde van zijn sympathie voor het initiatief van de R.S.B. door ook aan het troosttoernooi mee te doen. Hij werd gedeeld derde met de schaker Ten Kate. In het "Meestertoernooi" gespeeld te Scheveningen deelde hij een vierde plaats met Felderhof en Van Hoorn.
Terug naar het verslag van de secretaris. De betreffende paragraaf in het verslag besluit met:
"Als waarschuwing voor volgende jaren heeft het doortastend optreden van R'dam zeer zeker een nuttig effect opgeleverd".

Transfer
In het jaar 1933 vond ook nog een wonderlijke transfer plaats in de personele sfeer.
De N.S.B.-voorzitter, Mr. Oskam, was behalve bonsfunctionaris tevens voorzitter van de toonaangevende club de "Nieuwe Rotterdamsche Schaakvereeniging".
Gewend aan het dragen van twee voorzitterspetten, in die tijd wellicht hoeden in plaats van petten, besloot hij na zijn aftreden het voorzitterschap van de R.S.B. op zich te nemen.
Commentaar mijnerzijds stel ik nog even uit want er zal later nog een keer een gebeurtenis zijn met de heer Oskam in de hoofdrol. Bij die gelegenheid is de tijd rijp voor een inventarisatie en een retrospectief.

Kees van der Waal
top
Geboorte en kleuterjaren van de R.S.B. aflevering 5

Massakamp
De voorgaande vier afleveringen hebben ons duidelijk gemaakt dat het bestuur van de nog prille R.S.B. bepaald niet stil zat. Naast een streven zo snel mogelijk tot ledenwinst te komen waartoe bestaande schaakverenigingen werden benaderd was er ook aandacht voor het praktische schaak.
In de vierde aflevering kwam het Persoonlijk kampioenschap van de R.S.B. aan de orde en deze keer wordt een spotlight gericht op een ander schaakevenement uit de begintijd van de R.S.B.
De nog jonge R.S.B. besloot reeds in het eerste verenigingsjaar een nieuwe activiteit op te starten. Wat lag nu meer voor de hand dan een andere regionale bond uit te dagen om de krachten te meten in een zogenaamde massakamp. Gedurende een reeks van jaren is in dit verband een ontmoeting georganiseerd met de bij de Haagse Schaakbond aangesloten schakers. Voor deze wedstrijd bestond steeds een grote belangstelling en de Hagenaars werden met wisselend succes bestreden. De eerste keer ging het organisatorisch al bijna mis.
De R.S.B. had een vaste overeenkomst met het destijds deftige "Maashotel" te Rotterdam. Alle schaakevenementen, vergaderingen, ontvangsten van verenigingsbesturen vonden in dit etablissement plaats. Per bijeenkomst werd een geringe huur vergoed maar diende de R.S.B. zich garant te stellen voor een bepaalde omzet aan consumpties.
Om de één of andere reden nam de directie van het hotel het besluit de gemaakte afspraken niet langer te honoreren maar men verzuimde daarbij de tegenpartij, de R.S.B., tijdig in kennis te stellen van het feit dat de schakers niet langer welkom waren. Eerst aan de vooravond van de geplande wedstrijd tegen de H.S.B. bereikte het bericht van de contractbreuk het R.S.B.-bestuur.
In allerijl werd contact opgenomen met de directie van het "Gouden Hoofd" een ander bekend Rotterdams hotel, alwaar men bereid bleek onderdak te verlenen aan de Haagse en Rotterdamse rivalen. Een complicatie was evenwel, dat de speelruimte eerst een uur na het geplande aanvangstijdtip beschikbaar kon worden gesteld.
Er zat voor de verzamelde schakers niets anders op dan dat uur in berustende afwachting door te brengen, terwijl het bestuur zich bezig hield met het materiaaltransport van het Maashotel naar het Gouden Hoofd. Met ruim een uur vertraging kon de strijd alsnog een aanvang nemen met als resultaat een klinkende overwinning met 50-36 voor de Rotterdammers.

Reprise
Een dergelijke geschiedenis zou zich later nog een keer voordoen, maar toen was de R.S.B. de kinderschoenen reeds lang ontgroeid. In het jaar 1979 was er op een zaterdag in februari de zoveelste ronde van het Persoonlijk kampioenschap. De speelzaal in Rotterdam Zuid, al sinds jaar en dag de vaste thuisbasis voor dit evenement, bleek plotseling niet beschikbaar. Bij aankomst ter plaatse constateerde wedstrijdleider Henk Greevenbosch, dat de ruimte gevuld was met timmerende lieden. Het waren leden van de carnavalsverenging, zij versierden de zaal voor het feest van die avond. De adepten van de "Raad van Elf" waren niet van plan hun arbeid te staken daar hun aanwezigheid de hoge toestemming zou hebben van de uitbater van het gebouw.
Inderdaad, er was sprake van een administratieve vergissing, de feest- annex speelzaal was simultaan verhuurd. In de nabijheid bleek nog een zaaltje te zijn gewoonlijk bestemd voor bruiloften en partijen. Deze bleek vrij en ook nu werd in allerijl het materiaal naar het nieuwe onderkomen overgebracht.
Alles kwam op zijn pootjes terecht, maar Henk Greevenbosch wordt, volgens geruchten, nog wel eens met een gil wakker als hij dit in een droom opnieuw meemaakt.

De leeuwin van Spangen
Een mooie titel voor een helaas in onbruik geraakt schaaktoernooi.
In het jaarverslag 1932 schrijft de heer A. de Bruijn, 1e secretaris van de R.S.B., het volgende:
"In September volgde het Clubkampioenentoernooi door den R.S.B. overgenomen van de schaakvereeniging Spangen, de initiatiefneemster. Deze 'ereronde' voor de kampioenen der vereenigingen telde 11 deelnemers. De wisselprijs 'De leeuwin van Spangen', een geschenk van Mr. Oskam, werd veroverd door de Heer C.W. van Driel, den voorvechter van 'Het Westen', met 8 punten uit 10 partijen. Op hem volgden: G. Boersma (W.Steinitz) 7 ½, Mr. G.C.A. Oskam (N.R.S.V.) 7, M.J. v.d. Heuvel (Spangen) en J.F.W. Meijer (E.S.S.) 6 ½, J. Wiemer (Charlois) 4 ½, D. Roodzant (De Pion) 4, Althesius (N.H.M.) en H.A. v.d. Maas (G.E.B.) 3 ½, J. Bekker (Hillegersberg) en G.A. van Hattem (Excelsior) 2.
Het toernooi , waarvan in de Nieuwe Rotterdamsche Courant en andere bladen uitgebreide verslagen verschenen en dat dus een mooie reclame bleek voor de R.S.B. en zijn leden-vereenigingen werd besloten met een gezellige prijsuitdeelingsmiddag in het Parkhotel, waarbij de Heer Van Balen de verrichtingen der kampioenen aan een zachtaardige kritiek onderwierp en de wnd. Voorzitter de waarde en het bestaansrecht van dit toernooi naast de Pers. Kamp. Schappen in het licht stelde".

Kees van der Waal
top
Geboorte en kleuterjaren van de R.S.B. aflevering 7

"Het Tijdschrift"
In aflevering 6 heeft u kunnen lezen, dat "Het Tijdschrift" voor alle leden verplicht werd. Dit werd als een soort wisselgeld beschouwd door het Hoofdbestuur van de N.S.B., de verplichting maakte deel uit van de min of meer afgedwongen organisatorische hervorming van de schaakbond. In ruil voor medezeggenschap van de regio's werd een verplichte afname van het bondsorgaan afgedwongen.
Achteraf gezien is er veel te zeggen voor het standpunt van het N.S.B.-bestuur. Het bondsorgaan was en is ook nu nog een middel tot het bewaren van de eenheid binnen de schaakgemeenschap. De regionalisering vormt daarvoor een gevaar. Het blad diende niet alleen als een visitekaartje voor de N.S.B. ook de presentatie van de N.S.B. naar de leden was daarbij in het geding.
Met een facultatief abonnement was het blad, zo had bovendien de ervaring geleerd, nauwelijks rendabel te exploiteren.
Keerzijde van de medaille was het contributieverhogend effect van het verplichte abonnement. Ledenverlies werd door de tegenstanders van de voorgenomen ruilhandel als argument aangedragen. Een ledenverlies als sterk argument in de tijd waarin de gevolgen van de economische recessie rondom waarneembaar werd.

Een mandaat
Het jaarverslag van de R.S.B. over het jaar 1933 maakt melding van de kwestie van "Het Tijdschrift". Wij lezen: "Ten derde male kwam de R.S.B. in conflict met den N.S.B. (voor de eerste twee conflicten zie aflevering 6), toen het Hoofdbestuur den eisch stelde van het verplichte Tijdschrift.
In dezen was het Bestuur van den R.S.B. voor inwilliging, de Algemeene Vergadering in meerderheid ertegen". Ja, zo ging dat toen en zo gaat het nu gelukkig nog steeds, de algemene vergadering van de R.S.B. kan de vertegenwoordiging in de bondsraad c.q. het bestuur een bepaald mandaat geven voor bepaalde zaken. De achterban was tegen het verplichte abonnement en het bestuur diende dat zo uit te dragen.

Werkloze leden
De sterk afgenomen werkgelegenheid had tot gevolg dat velen zonder werk kwamen te zitten. Dat heette in die tijd: "Hij is aan de steun", Een steuntrekker kreeg een bescheiden uitkering, net genoeg om van te leven maar meer dan dat ook niet. Voor deze mensen was het betalen van een contributie aan een vereniging een werkelijk zware opgave. Veel schaakverenigingen kenden een gereduceerd tarief voor de slachtoffers van de malaise. Ook hier lag alweer conflictstof voor de moeizame verhouding van de R.S.B. met de moederorganisatie.
Opnieuw nemen wij het jaarverslag van de R.S.B." ter hand:
"Een 2e eisch: volle contributie voor de werklooze leden werd door den R.S.B. gecoupeerd door officieel deze leden af te schrijven. Velen in den lande, o.a. dr. Euwe, vreesden, dat de eenheid van den N.S.B. ermee gemoeid zou zijn".

Water bij de wijn
Terug naar het jaarverslag:
"Door de tot het uiterste gaande tegemoetkoming van den R.S.B. (schrapping der werklooze leden, garantie van afname van een zeker percentage van het Tijdschrift, het verplicht stellen van het Tijdschrift voor nieuwe leden van clubs en voor na 1 januari 1934 toetredende vereenigingen) èn door de kalme wijze, waarop de kwestie in den Bondsraad behandeld werd, kon dit onheil voorkomen worden. Het resultaat was: een jaar uitstel. In dit jaar zullen onze clubbestuurderen zich ernstig moeten afvragen, of de R.S.B. dezen nuttigen, door vier van de vijf groote bonden reeds aanvaarden en voor de fin. Gezondmaking van de N.S.B. dringend geboden maatregel, mag tegenhouden".

Een sluimerende kwestie
Uit het jaarverslag over 1934 blijkt, dat de betrekkingen met den N.S.B. weer "van aangenamen aard waren". Daarmee was deze zaak niet geheel van de baan en deze zou jaren later weer actueel worden. Het leidde zelfs tot een scheuring in de R.S.B.-gelederen. Rotterdam was toen twee schaakbonden rijk, naast de R.S.B. ontstond als schaduw de Nieuwe Rotterdamse Schaakbond. De N.R.S.B., ook wel genaamd de "dubbeltjesclub" van Goris - de initiator -, is een verhaal apart dat evenwel buiten dit bestek valt; de R.S.B. was toen reeds meerderjarig.

Kees van der Waal
top
Geboorte en kleuterjaren van de R.S.B. slot

Anekdote
=One anecdote of a man is worth a volume of biography= (W.A. Channing)

Een zo juist op het station "Delftsche Poort"gearriveerde reiziger stapt op de tram. Hij zegt tegen de conducteur: "Ik moet naar Mr. Oskam, wilt u mij waarschuwen als ik er ben?" Enige haltes verder zei de conducteur: "voor Mr. Oskam moet u hier uitstappen".
Of deze geschiedenis waar is weet ik niet, maar is mij wel als zodanig verteld.

Mr. Oskam
In deze beknopte geschiedschrijving speelde de naam van Mr. G.C.A. Oskam al eerder een rol.
Bij de oprichting van de R.S.B. was hij als voorzitter van de N.S.B.samen met de secretaris van het hoofdbestuur aanwezig bij de oprichting van de R.S.B.. De beide heren betuigden hun sympathie met het streven in Rotterdam te komen tot een eigen regionale schaakbond. De heer Oskam stelde ook nog zijn juridische kennis beschikbaar bij het ontwerpen van statuten.
Vreemd was deze exercitie niet als men bedenkt dat de heer Oskam tevens voorzitter was van de vooraanstaande schaakvereniging N.R.S.V. (Nieuwe Rottterdamsche Schaakvereeniging).
Mr. Oskam bevond zich met de dubbelfunctie evenwel in een moeilijke situatie, als voorzitter van de N.S.B. moest hij de oprichting in den lande van regionale schaakbonden uitleggen als een rebellie en een uiting van onbehagen van de achterban; als voorzitter van de toonaangevende Rotterdamse vereniging steunde hij het streven naar regionale autonomie.
Later werd hij en zijn Hoofdbestuur gedwongen een reorganisatie toe te passen, waarbij vergaande concessies werden gedaan aan de regionale wensen en verlangens. Die reorganisatie werd ook nog ontsierd door een koehandel, waarbij in ruil voor meer zeggenschap de leden een verplicht abonnement opgedongen kregen op het bondsorgaan.
Hij slaagde er niet in de gemoederen tot bedaren te brengen en een tussentijds aftreden was het gevolg. Hij hield de eer aan zichzelf; er hing echter een zware wolk aan de hemel in de vorm van een naderende motie van wantrouwen.
Mr. Oskam moest buigen voor de landelijk conspirerende oppositie van de regionale bonden en daarom bevreemdt het in hoge mate, dat hij na zijn aftreden het voorzittersschap op zich nam van één van zijn criticasters, de R.S.B.. Naar zijn motieven kunnen wij slechts gissen, elk antwoord zou speculatief zijn.
Zeker is, dat de heer Oskam opnieuw een dubbelfunctie bekleedde zowel voorzitter van N.R.S.V. en van de R.S.B.. Op enig moment zou dit weer tot problemen leiden.

Opnieuw confrontatie van belangen
De landelijke competitie kende in de dertiger jaren een 1e klasse, waarin de top van Nederland streed om het kampioenschap van Nederland voor clubteams. Rotterdams meest spraakmakende vereniging N.R.S.V. behoorde tot de vaste deelnemers en speelden op dit hoogste platform een aardig partijtje mee.
In het jaar 1938 nu kwam de inmiddels Koninklijk geworden K.N.S.B. met het voorstel de 1e klasse van de landelijke competitie uit te breiden van zes tot twaalf tientallen. In de boezem van de N.R.S.V. was men mordicus tegen dit voorstel; men beschouwde de uitbreiding als een verwatering van de schaaktechnische kwaliteit van de competitie.
Het R.S.B.-bestuur besloot tot een extra Algemene vergadering teneinde de achterban in deze kwestie te raadplegen. De vergadering zou het karakter krijgen van een klucht voor één heer. Dat de acteur Oskam heette had u waarschijnlijk al verwacht.
Wij lezen nu eens niet een jaarverslag, maar het boek met de notulen van die vergadering, gehouden op 10 maart 1938. Helaas blijkt echter, dat de notulist zijn functie niet met de vereiste accuratesse heeft uitgevoerd mat als gevolg het ontbreken van gegevens. Notulist Nuswaay tekende het volgende aan:
"Van de 54 clubs hebben zich …. ( het aantal is helaas niet ingevuld -Kees) doen vertegenwoordigen. Van het bestuur zijn aanwezig de heren Mr. Oskam, De Bruijn en Nuswaay.
Besloten wordt de notulen van deze spoedvergadering te combineren met die van de 22e vergadering.
Voorz. Mr. Oskam draagt dan het voorzitterschap over aan de vice-voorzitter, de heer De Bruijn, daar hij het woord wenst te voeren namens de N.R.S.V., die belanghebbende is." (alsof het de anderen niet aangaat-Kees).
Uit de notulen blijkt niet vanwaar de heer Oskam zijn stellingen heeft geponeerd. Is hij in de zaal gaan zitten of heeft hij de voorzitterszetel niet verlaten om meer gewicht in de schaal te gooien in de discussie? Wij zullen het nooit weten, uniek is de gebeurtenis zeker wel.

De discussie
Terug naar de notulen:
"Aan de orde is het enige punt der agenda n.l. het voorstel van de K.N.S.B. om te komen tot uitbreiding der 1e klasse van 6 tot 12 tientallen.
Alvorens de vergadering de gelegenheid te geven deelt de hr. De Br. mee, , dat waarschijnlijk in de bedoeling ligt bij totstandkoming van de nieuwe toestand de 12 clubs te splitsen in een Noordelijke en Zuidelijke afdeling (scheidingslijn over Haarlem).
Donker (Spangen) informeert naar de mening van het Bestuur t.a.v. dit voorstel.
Voorz. Zegt, dat de meningen in het Bestuur verdeeld zijn, zodat geen standpunt is bepaald.
Van Hattum (Exc) merkt op, fat het bezwaarlijk is, dat clubs uit één der afdelingen die der anderen niet meer zullen ontmoeten.
De Br. acht dit bezwaar te ondervangen door een jaarlijkse wisseling onderling in de groepering.
Mr. Oskam (N.R.S.V.) vraagt zich af, welke de motieven kunnen zijn, die het bestuur van de K.N.S.B. hebben geleid tot dit voorstel. De oude toestand is sinds jaar en dag: De 5 (later 6) 1e klassers spelen een enkele competitie; de laatst uitkomende speelt degradatiewedstrijden. Van uitbreiding is nooit gerept. Gebleken is nu ( spr. Noemt een aantal recente voorbeelden) dat de sterkte der te promoveren niet voldoende was, om één der oude 1e klassers van hun plaats te verdringen. 'Wat nu', zegt spreker, en dit is tevens zijn grootste bezwaar, 'door strijd niet verkregen kan worden moet thans cadeau worden gedaan.'
De notulen gaan verder met een uitvoerige opsomming van een scala door Mr. Oskam aangevoerde argumenten. Tenslotte komt hij tot een voorstel. Wij lezen: "Concluderend geeft hij in overweging, het bestuur de K.N.S.B. te adviseren elk jaar promotie- en degradatiewedstrijden te doen houden om 2 plaatsen in de 1e klas."
Tot zover het optreden van de formele voorzitter van de R.S.B. alias de voorzitter van N.R.S.V..
Er waren ook sympathisanten met het voorstel van de K.N.S.B. De heer Goris van de s.v. Kralingen blijkt voorstander van het K.N.S.B. argument. Naar zijn mening is uitbreiding van de competitie een logisch gevolg van het sterk toegenomen ledental. Verder bestrijdt de heer Goris de door Mr. Oskam geponeerde stelling van grote krachtsverschillen van de gevestigde 1e klassers en de kandidaat 1e klassers.

Conclusie
Na veel heen en weer gepraat komt uiteindelijk het volgende voorstel in stemming:
"Er worden 6 nieuwe clubs tot een aparte groep verenigd. De hoogst uitkomende verwisselt automatisch van plaats met de laagstuitkomende in de 1ste klas".
En hier eindigen de notulen en dat is vreemd want men zou op zijn minst verwachten of hetgeen in stemming kwam aanvaard dan wel verworpen werd.
In het notulenboek zit een briefkaart gehecht met de volgende tekst:

"Schiedam 10/5-39
Geachte Heer De Kwant,
Hierbij gaan het notulenboek en nog wat correspondentiemateriaal, dat nog in mijn bezit was. Tot mijn spijt heb ik, naar ik bemerk, de laatste notulen niet beëindigd . Volgens mijn aantekeningen is de laatste stemming waarvan melding wordt gemaakt aldus verlopen, dat alleen Kralingen voorstemde, de overige verenigingen tegen. Over het verdere verloop heb ik geen aantekeningen meer kunnen vinden. Mogelijk kan de heer De Bruijn zich het slot van de vergadering nog te binnen brengen. Overigens met beleefde gr.
J. Nuswaay

Kanttekening
Een opmerkelijke vergadering van de R.S.B. op 10 maart 1938. Een schoolvoorbeeld van hoe het niet moet. Ik kan mij niet voorstellen, dat onze huidige ledenvergadering een dergelijk optreden van de voorzitter zou accepteren. Maar ja, Mr. Oskam was een begrip en zijn naam werd altijd met een eerbiedige klank uitgesproken.
De opposant uit Kralingen, de heer Goris, wiskundeleraar aan een Rotterdams gymnasium, was niet zo ondersteboven van de heer Oskam en zijn soms vergezochte argumenten.
Goris zou later penningmeester van de K.N.S.B. worden en na een meningsverschil met de overige bestuursleden opstappen en vervolgens een schisma in de Rotterdamse schaakwereld tot stand brengen door de oprichting van de N.R.S.B.. Dit is echter een verhaal apart en speelde zich in de jaren na de tweede wereldoorlog af.
Mannen als de heer Nuswaay bestaan nog steeds. Zij doen hun werk half en laten een ander de boel opruimen. Wat dat betreft is de wereld nog niet veranderd.

Kees van der Waal
top