Zwarte bladzijde

De geschiedenis van de R.S.B. kent ook een zwarte bladzijde, een periode waarin een aantal schaakverenigingen de bond de rug toekeerde en het ledental van de R.S.B. dientengevolge drastisch verminderde.
Was er sprake van grote onvrede of speelden andere zaken een rol? Ja, dat is achteraf moeilijk te zeggen, maar er zijn toch wel aanwijzingen dat er van een algeheel gevoelde onvrede geen sprake was.
Om een schisma in de gelederen van de R.S.B. kunnen wij echter niet heen want de R.S.B. kreeg een concurrent, de Nieuwe Rotterdamse Schaakbond (N.R.S.B.), en daarvan ging een vrij grote wervende werking uit.

Het begon allemaal binnen de gelederen van de K.N.S.B. waar het niet erg boterde in het bestuur. Voorzitter Van Steenis stelde in het jaar 1955 zijn zetel beschikbaar en de penningmeester van de bond ambieerde de voorzittershamer van de heer Van Steenis over te nemen. Deze penningmeester, de heer Goris, een lid van de Rotterdamse vereniging "Kralingen", werd uiteindelijk na enig geharrewar binnen het K.N.S.B.-bestuur toch door ditzelfde bestuur voorgedragen als de kandidaat voor de voorzitterszetel. De Bondsraad evenwel vond dit geen goed idee en men accepteerde dan ook de door het bestuur voorgedragen kandidaat niet. Welke motieven daarbij een rol hebben gespeeld is mij niet bekend, maar het is niet uit te sluiten dat er vanuit een deel van het bestuur een anti-Goris lobby is ingezet om op die wijze een barricade op te werpen voor zijn benoeming. De voordracht van het bestuur was bepaald niet unaniem te noemen en dan zijn er altijd nog andere wegen om een ander als voorzitter benoemd te krijgen.

Wij mogen in alle redelijkheid aannemen dat de heer Goris verre van gesticht was met de afwijzing van zijn persoon door de Bondsraad en dat hij direct daarna zijn ontslagbrief als penningmeester van de landelijke bond indiende is begrijpelijk. De heer Goris, wiskundeleraar aan het Marnix gymnasium te Rotterdam, hield daarmee de eer aan zichzelf; voor hem hoefde de K.N.S.B. niet meer zo nodig, maar hij wenste zich niet neer te leggen bij zijn persoonlijke nederlaag. Hij begon een achterhoede gevecht.

Hij wendde zich, als eerste actie, tot het bestuur van de R.S.B. en van dit bestuur eiste hij, dat de R.S.B. naar aanleiding van de door hem ondervonden deceptie loyaal aan hem zou zijn en daarvan blijk te geven door opzegging van het lidmaatschap van de K.N.S.B.. Dit ging her R.S.B. bestuur te ver, nog afgezien van de vraag of de aangesloten verenigingen het daarmee eens zouden zijn geweest. Zeker is, dat een voorstel tot uittreding nimmer aan een Algemene vergadering van de R.S.B is voorgelegd. De heer Goris ving bot, eerst bij de K.N.S.B. en nu ook nog bij zijn eigen R.S.B..

Er volgde een reactie van de zijde van de heer Goris, hij richtte in september 1955 de Nieuwe Rotterdamse Schaakbond op. Voorzitter van de nieuwe bond werd echter niet de initiatiefnemer maar de heer Le Grand en de heer Goris werd in het nog verder te benoemen bestuur secretaris-penningmeester. Deze bescheidenheid is schijn want de heer Goris moet de financiŽle onhaalbaarheid van zijn plannen hebben onderkend. Als penningmeester was hij in de gelegenheid eventuele tekorten stilzwijgend uit eigen middelen aan te vullen, hetgeen, zoals nog zal blijken, hem de nodige pegulanten moet hebben gekost.

De volgende fase was het losweken van de bij de R.S.B. aangesloten verenigingen en deze te verleiden naar de N.R.S.B. over te stappen. Hoe doe je dat, als je eigenlijk moet vaststellen dat er binnen de R.S.B. nauwelijks enige onvrede is en de behoefte aan een nieuwe organisatie nagenoeg nihil is?

Ach, onvrede kan je oproepen door het voeren van een stelselmatige propaganda, daarvoor hoeft men niet in de leer te gaan bij sommige politieke partijen.
Hij benaderde de verenigingen op een agressieve wijze en vond het zwakke punt in het denken van de schakers in die tijd, n.l. hun portemonnee.
De door u schakers betaalde contributie aan R.S.B. en K.N.S.B. is samen veel te veel. Wat heeft u als regionale bond met de K.N.S.B. te schaften? Wat draagt die organisatie nu bij aan u of uw vereniging. Niets toch? Waarom dan betalen als er geen enkele tegenprestatie is. O ja, natuurlijk het "Tijdschrift", maar is dat niet afgestemd op het topschaak.
Het kan allemaal veel goedkoper, wij van de N.R.S.B. maken dat waar.
Zo ongeveer klonk zijn betoog en als je het maat voldoende herhaalt vindt je vanzelf mensen die denken dat je gelijk hebt. Een dubbeltje contributie per maand en per man is genoeg, hield hij de Rotterdamse schakers voor, en dan nog alleen voor die mensen die mee doen aan de competitie van de N.R.S.B.. Leden die uitsluitend huishoudelijk schaken hoeven niets te betalen en dat maakt dat de toegang voor nieuwe leden laagdrempelig zal zijn.
Een dubbeltje, zo rekende hij de geadresseerden voor, is immers voldoende om per afdeling een schaakklok als prijs te kopen, een rekensom die bij het toenmalige prijspeil inderdaad klopte. Weest geen dief in eigen zak, sluit u aan bij de N.R.S.B..

Zijn boodschap was niet aan dovemansoren gericht en een flink aantal verenigingen stond open voor zijn sirenenzang Zij verlieten de R.S.B. en daarmee automatisch de door de heer Goris verfoeide K.N.S.B.. Met de hand op de knip ging men geheel voorbij aan de door deze organisaties verder uitgevoerde taken, zoals de training van talentvolle jeugd, opleiding van jeugdleiders en schaakonderwijzers, het organiseren van allerlei bondswedstrijden zoals het open persoonlijk kampioenschap van Nederland, bedrijfsschaakcompetities en nog veel meer zaken gericht op het propageren van de schaaksport.

Zoals eerder aangeroerd, het dubbeltjesplan van de Heer Goris, was financieel niet haalbaar.
Het verhaal van die klok klopte wel, maar ja er is natuurlijk meer te doen en dat zijn helaas zaken die geld kosten. De competitie gaat van start en de verenigingen moeten geÔnformeerd worden over de indeling in klassen, en ook over de uitslagen en standen Dat gaat niet voor niets, door wie wordt het stencilwerk en de postzegels betaald? Na een jaar komt de bond in vergadering bijeen. Er wordt een zaal gehuurd, maar naar wie moet de uitbater van deze gelegenheid zijn rekening zenden?
En zo waren er nog al wat voor rekening van de heer Goris komende zaken.
Al spoedig bleek dat de schakers behoefte gevoelden aan meer informatie. Er kwam een soort mededelingen blad als bondsorgaan. Abonnement tegen kostprijs; zeker niet onbillijk, maar de ontvangers waren meer kwijt dan het beloofde dubbeltje.
Kwalitatief was het ook niet om over naar huis te schrijven; geen jeugdwerk, geen persoonlijk kampioenschap, geen en vult u zelf maar in wat een goed georganiseerde schaakbond nog meer doet.
Voor een dubbeltje kan men nu eenmaal niet op de eerste rang zitten, dat is bekend.

In 1967 hield de heer Goris het voor gezien. Hij had kennelijk voldoende zijn gram gehaald op de K.N.S.B. en mogelijk kreeg hij genoeg van het bijspijkeren van de eeuwige tekorten in de kas. Dankbaarheid van de zijde van de schakers ondervond hij zeker niet voor zijn filantropie.
We hebben hier te maken met een omgekeerde wereld De penningmeester gaat er niet met de kas vandoor, maar in dit geval de kas met de penningmeester.

Er volgde een fusie met de R.S.B. om niet te zeggen dat de N.R.S.B. werd opgeheven omdat een nieuwe mecenas niet gevonden werd. Het beloofde dubbeltje bleek niet langer uitvoerbaar en de weg terug naar de R.S.B. werd snel gevonden.

Kees van der Waal
top